Verhalen vanuit de bron.
Koempels.
Met duizenden zwoegden ze dag en nacht op en onder de mijnterreinen in Zuid Limburg. Als postslepers, houwers, opzichters, mijnmeters en nog zoveel andere beroepen hielden zij Nederland warm en voortvarend. Tot het opeens niet meer hoefde en alles stopte. Hoe was die tijd? En zouden die mannen nog terug willen als de mijnen weer open gingen en ze zelf 50 jaar jonger waren? De antwoorden op die vragen hoop ik te krijgen aan de hand van korte interviews waarin hun eigen ervaringen centraal staan en waarin ze zelf in gedachten terug gaan naar die tijd.
Mijn Verhaal Nr 12
Math
Staatsmijn Wilhelmina
Staatsmijn Emma
Werken op de mijn was voor Math bijna vanzelfsprekend. Zijn vader werkte tenslotte ruim veertig jaar als ploegbaas op de Emma, zijn opa verongelukte op de ON-1 en bijna alle ooms aan beide kanten van de familie werkten op de mijn. Daarnaast kwamen de hoge heren van de Staatsmijnen werven op de school van Math toen hij veertien was. Zo begint hij dan ook in 1959 aan de OVS, waar hij in 1962 zijn houwersdiploma haalt. Tot aan de sluiting van de Staatsmijn Wilhelmina werkt hij daar als houwer, om daarna tot 1971 nog in de Staatsmijn Emma te werken. Pa was toen al wat ouder en werkte daarom alleen nog de nachtdienst. Kwam pa met de trek naar boven, dan stond Math op het punt naar beneden te gaan.
Maar aan die overgang van de ene mijn naar de andere heeft Math een nare nasmaak overgehouden. Wanneer Math na zijn laatste middagdienst in 1969 bij de Wilhelmina bovenkomt, hangt er een briefje aan het bord bij zijn penningnummer: “Alle gereedschap laten liggen, dat ligt maandag op de Emma.” En zo eindigen voor hem tien jaar op de Wilhelmina. Geen kans om afscheid te nemen, gewoon maandag op de Emma melden, waar hij door mijningenieur Schiffelaars wordt ontvangen. De Staatsmijnen zijn dan al bezig met het afstoten van personeel vanwege de sluiting, en Math meldt zich in 1971 bij kamer 14 van Personeelszaken met de mededeling te willen stoppen en gebruik te willen maken van een uitwerkregeling. Die kreeg hij echter niet; geen enkele tegemoetkoming vanuit de Staatsmijnen was er voor Math, en zo stopt hij op vijfentwintigjarige leeftijd als mijnwerker.
Als ik met Math spreek, merk ik dat er veel trots zit op het feit dat hij en veel mannen uit de familie in de mijnen hebben gewerkt. Maar wat er vooral zit, is verdriet en een sterk gevoel van onrecht. De mijn heeft veel familie het leven gekost. Zijn vader en diens vijf broers zijn allemaal overleden aan stoflongen. Zijn opa verongelukte in 1925 samen met twee andere koempels. Hij was pas negenendertig en het tiende kind was op komst. Al jaren probeert Math uit te vinden wat er die dag precies gebeurd is, maar zonder resultaat. Terugkijkend op zijn eigen ervaringen met ziekmeldingen en de manier waarop er met personeel werd omgegaan, overheerst bij Math het gevoel dat de productie belangrijker was dan de veiligheid.
Al deze gevoelens, in combinatie met de manier waarop hij in 1971 bij de mijn stopte, zorgen ervoor dat Math het mijnverleden lang heeft weggestopt. Maar zou Math wel teruggaan als de kans zich voordeed?
“Voor de koempelmentaliteit ging ik direct terug! Voor het mijnbedrijf absoluut niet…”
Mijn Verhaal Nr 11
Pino
Oranje Nassau 3
Opzichter
Wanneer Pino de Mulo afgerond heeft werkt hij ruim een jaar als automonteur. Maar meer dan een voorliefde voor auto’s houdt hij daar echter niet aan over want al snel komt hij erachter dat er in de mijnen meer geld te verdienen valt.
Zijn vader was in 1934 vanuit Italië naar Nederland gekomen om als houwer in de ON-3 te gaan werken. Ruim 25 jaar werkte hij ondergronds, altijd op dagdienst. In 1938 reist hij naar Italië om te trouwen om daarna in Heerlen te gaan wonen met zijn kersverse bruid. Zelf start Pino in september 1957 als bankwerker op de ON-3. Zijn ervaring als automonteur en zijn opleiding aan de Mulo helpen hem hierbij. Had Pino ook dagdienst dan wachtte zijn vader op hem in het badlokaal om hem geluk te wensen voor de sjiech.
Dat het niet alleen maar goed geld verdienen was wordt snel duidelijk als hij in 1963 een ongeluk krijgt waarvan hij ruim 5 weken thuis moet revalideren. Wanneer hij samen met enkele andere koempels op een houten kistje naast de transportband zit horen zij een raar geluid. Een gigantisch stuk steen dondert over de transportband en door de rollen waarover de band loopt schiet het stuk steen alle kanten op. Wanneer de steen bij Pino en zijn mede-koempels aankomt schiet het los van de band, slaat op de grond en valt bovenop hem. De klap is zo intens dat hij beide bekken breekt.
Voor Pino is dit een moment waarop hij beseft dat het anders moet. Na zijn revalidatie start hij in 1963 aan de opleiding tot opzichter aan de Mijnschool. Na 4 jaar school combineren met werken werkt Pino uiteindelijk tot aan de sluiting van de Oranje Nassau 3 als opzichter. Na een omscholing Weg en Waterbouwkunde aan de HTS in Heerlen werkt hij tot 2000 bij Rijkswaterstaat in Maastricht en Venlo.
In zijn woonkamer staat in de hoek nog zijn vaarsjtek en ook zijn opzichterspenning laat hij mij nog zien voor ik weer ga.
“Waren de mijnen nooit gesloten geweest was ik er nooit weggegaan” zegt hij trots.
Mijn Verhaal Nr 10
Hans
Staatsmijn Wilhelmina
Houwer
Wanneer Hans in 1950 de keuze maakt om de mijn in te gaan en zo de dienstplicht weet te ontwijken, heeft hij geen idee hoe die keuze zijn leven zal veranderen.
Nadat hij samen met zijn buitenlandse collega’s de opleiding heeft doorlopen en klaar is om ondergronds te gaan, krijgt Hans werknummer 2324 mee en begint hij zijn werk als houwer op de Staatsmijn Wilhelmina.
Na acht jaar ondergronds overlijdt de vader van Hans. Wanneer Hans na een week verlof terugkeert naar de mijn, slaat het noodlot toe. Tijdens de nachtdienst hadden zijn collega’s een pomp en de bijbehorende waterleidingen gedemonteerd. Na demontage lagen deze opgestapeld bovenop enkele afdekplaten op de transportband, die over kettingen liep. Wanneer Hans om 11:10 uur (het tijdstip is hij nooit vergeten) met de afbouwhamer aan de slag wil, slaat het noodlot toe. Omdat een collega koempel iets wilde opbouwen in deze pijler gaat er iets mis. De buizen van de waterleiding werden mee getrokken in de kettingen en daardoor kwamen de buizen vast te zitten in de band en tussen de voetpijler. De buizen klapte Hans zijn kant op en richting de kolenmuur waardoor Hans klem kwam te zitten tussen beide. Het gevolg was dat hij geen kant meer op kon en ze hem eruit hebben moeten bikkelen doordat de buizen gedeeltelijk in de kolenlaag geboord waren en muurvast zaten. Het scheelde niet veel of ook zijn gezicht was door de buizen en platen geraakt.
De arm blijkt verbrijzeld te zijn en na enkele maanden revalidatie keert Hans terug naar de mijn. Tot de uiteindelijke sluiting van de Staatsmijn Wilhelmina doet hij aangepast werk zoals het smeren van de pompen. Dit aangepast werk in het dagelijkse onderhoud doet hij zowel boven als ondergronds. Na het sluiten van de mijnen wordt Hans, zoals zoveel mijnwerkers die opeens hun werk verloren, door het FSI overgeplaatst. Omdat hier na enkele jaren, en zonder waarschuwing, het werk voor gehandicapte mijnwerkers ook wordt stopgezet wordt Hans uiteindelijk volledig afgekeurd.
Op de vraag of Hans terug zou willen naar de mijn, antwoordt hij:
“Voor het kameraadschap ging ik direct terug.”
Mijn Verhaal Nr 9
Ton
Oranje Nassau 1
Schiethouwer
Geheel toepasselijk fotografeer ik Ton tijdens de koempelreünie in het OVS-gebouw van de Oranje Nassau I in Heerlen. Toepasselijk, omdat dat ook de plek is waar hij op 16 augustus 1957 als 14-jarige aan zijn opleiding begint.
Na vier jaar OVS start Ton in 1961 ondergronds als sleper. Slepers vervoerden de met kolen of stenen geladen wagens van de werkplaatsen in de pijlers naar de hoofdgalerijen en schachten, en brachten lege wagens mee terug.
In 1962 begint Ton met de opleiding tot houwer. De houwersopleiding is verdeeld over twee perioden. Gedurende de eerste periode van een jaar wordt de arbeider opgeleid tot hulphouwer. Aansluitend hierop volgt de periode waarin de hulphouwer wordt opgeleid tot houwer. Omdat Ton al een opleiding aan de OVS heeft gevolgd, duurt de opleiding voor hem korter dan voor mijnwerkers die zonder OVS-opleiding in de mijn zijn gestart. In 1964 rondt Ton zijn opleiding af en ontvangt hij zijn houwersdiploma.
Tijdens de laatste jaren van zijn ondergrondse periode werkte Ton als schiethouwer.
De vele kilometers lange ondergrondse gangen waarin de mijnwerkers werkten, de zogenaamde galerijen, moesten natuurlijk ook worden aangelegd. Als schiethouwer speelde Ton hierbij een hoofdrol. Een schiethouwer boorde eerst zo’n dertig gaten in de muur en vulde die daarna met ongeveer twintig kilo springstof. Het tot ontploffing brengen van zoveel springstof in smalle, donkere gangen bracht uiteraard de nodige risico’s met zich mee.
Voor het kameraadschap zou Ton nog wel terug de mijn in willen. Voor het zware werk en de grote risico’s des te minder. Terugkijkend op zijn periode als mijnwerker is Ton vooral trots op de kameraadschap en de samenhorigheid om de klus te klaren. En misschien nog wel het belangrijkste: het samen ervoor zorgen dat iedereen weer veilig boven kwam!
Mijn Verhaal Nr 8
Martin
Oranje Nassau 1
Oranje Nassau 3
Bankwerker
Met Martin heb ik al meerdere malen samengezeten en bijna altijd is Martin dan gekleed in volledig mijnwerkerspak. Is het om mij te helpen bij het maken van een lesbrief over de mijngeschiedenis, om samen mijnwerkers-spullen tentoon te stellen in een verzorgingshuis, voor een mijnwerker reünie bij te wonen of om te strijden voor het behoud van een volwaardig ziekenhuis in Heerlen. Martin is altijd bezig en altijd aan het ondernemen. Iets dat er al sinds jongs af aan in zit blijkt wel.
Begonnen op de Oranje Nassau 3 als leerling bankwerker maakt Martin eind 1958 de overstap naar de Oranje Nassau 1 om daar de opleiding tot opzichter aan de M.V.S te volgen Begin 1959 keert Martin terug op de Oranje Nassau 3 om de aan de O.V.S. te starten. Na het afronden van O.V.S. mag Martin halverwege 1959 ondergronds beginnen. Uitgeleerd is hij echter nog lang niet want tijdens zijn hele periode in de mijnen blijft hij bij scholen.
Van bankwerker II naar bankwerker I en vanuit daar uiteindelijk tot bankwerker A.
Meerdere overplaatsing-papieren en zijn indrukwekkende stapel met diploma’s onderstrepen zijn ondernemingsdrang.
Dat Martin in maart 1963 ontslag neemt in de Oranje Nassau 3 is niet omdat hij niet meer ondergronds wil werken. Sterker nog, hij gaat eerst tot 1966 ondergronds aan de slag in Duitsland en werkt erna tot 1970 zelfs nog in de Afrikaanse mijnen. De keuze om naar Duitsland te gaan was simpel, zegt Martin: “Daar betaalden ze 3 keer zoveel”. Uiteindelijk volgt Martin ook in Afrika de nodige studies en wordt hij daar zelfs supervisor. Maar de apartheid in Zuid-Afrika is iets waar Martin het totaal niet mee en hij besluit terug naar Nederland te komen.
Trots is hij als hij over zijn mijn tijd spreekt. Op de vraag of hij terug zou zijn gegaan in de Nederlandse mijnen is het antwoord simpel: “Absoluut! Maar dan wel tegen het Duitse salaris”
Mijn Verhaal Nr 7
Gyla
Staatsmijn Maurits
Houwer
Wanneer Gyla vlucht uit Hongarije in 1956 komt hij in een vluchtelingenkamp terecht in Oostenrijk. Op dat moment heeft hij al 5 jaar van zijn leven als mijnwerker gewerkt in Hongarije. Gyla verteld dat in die tijd personeel van de Staatsmijnen naar Oostenrijk kwam om personeel te werven. Zo kwam hij uiteindelijk terecht bij de Staatsmijn Maurits. Een opleiding was niet nodig, hij had al de nodige kennis in huis. Wat hij wel nog moest leren was de taal.
Uiteindelijk werkt hij 22 maanden bij de Staatsmijn Maurits alvorens hij vertekt naar Hückelhoven in Duitsland om te gaan werken in de Sophia-Jacoba mijn. Daar was het volgens Gyla beter geregeld en werd er beter betaald. Hij blijft echter wel in Geleen wonen en dat betekent dat hij iedere dag 41 km heen en 41 km terug moet op de brommer. “Maar dat deed je gewoon” zegt hij. Op de Sophia-Jacoba werkt hij nog 8 jaar waarna hij uiteindelijk de mijnwereld achter zich laat en gaat werken in de bouw.
Terugkijkend op zijn mijnwerkerstijd verschijnt een glimlach op zijn gezicht en herhaalt hij een paar keer dat het een mooie tijd was. Een hele mooie tijd.
Maar voor het werk zou hij niet meer terug willen, voor het kameraadschap des te liever.
Voordat we afscheid nemen krijg ik nog te horen dat hij vroeger altijd schietdraad mee naar huis nam en daar dan mandjes en hoedjes van deed vlechten. Er zouden er zelfs nog enkele op de vensterbank staan bij hem hoor ik later!
Mijn Verhaal Nr 6
Jo
Staatsmijn Emma
Staatsmijn Hendrik
Staatsmijn Maurits
Onderhoudsmonteur wandelend bouwwerk mechanische pijler.
Jo volgt de MVS (mijnbouwkundige vakschool) op de Staatsmijn Emma en behaald later op de Staatsmijn Hendrik zijn houwersdiploma en volgt daar de TVS (technische vakschool). Hierna gaat hij aan het werk als onderhoudsmonteur wandelend bouwwerk in de mechanische pijler op de Staatsmijn Maurits.
In de mechanische pijler werd steenkool door een kolenschaaf los gemaakt. Elektromotoren trokken de kolenschaaf met een dikke stalen ketting langs het kolenfront heen en weer. De losgebroken steenkool werd meteen op een transportband geschoven. De machine bepaalde het werktempo. De koempels in de handpijler werkten zes meter van elkaar, in de mechanische pijler was de afstand dertig meter en er was geen oogcontact mogelijk door het stof.
Wanneer in 1967 de Maurits sluit verlaat Jo het mijnbedrijf en gaat aan de slag als Top Operator bij DSM. Het had niet veel gescheeld of Jo was nooit bij de mijnen aan de slag gegaan. Tot zijn 17e had hij nogal pech met zijn gezondheid en werd hij bijna afgekeurd voor het ondergrondse werk. Nadat hij uiteindelijk toch aan de slag mocht heeft hij nooit meer een dag ziek gevierd. Een knapper prestatie, zeker voor dit beroep!
Sterker nog, als de mijnen nooit gesloten waren zou Jo er nooit weggegaan zijn zegt hij trots.
Mijn Verhaal Nr 5
Sjef
Oranje Nassau 4
Oranje Nassau 3
Oranje Nassau 1
Bankwerker
Sjef volgt vanaf 1960 de OVS op de ON1 en gaat daarna als mijnwerker aan de slag op de ON4. Hier volgt hij de opleiding tot houwer. In 1964 volgt Sjef de MVS (mijnbouwkundige vakschool). Uiteindelijk gaat hij als machine houwer, ofwel bankwerker aan de slag ondergronds.
Na de sluiting van de ON4 verhuist Sjef naar de ON3 en nadat ook deze sluit gaat hij naar de ON1. Hier werkt hij uiteindelijk tot de sluiting van de ON1 in december 1974 waarna hij aan de slag gaat bij het CBS.
In december 1974 komt Sjef bovengronds in de lampisterie na een van zijn laatste nachtdiensten. Daar staat op dat moment fotograaf Frans Welters die hem vraagt of hij een foto mag maken. Later leest Sjef in de krant over een fototentoonstelling in Zwitserland en ziet zichzelf op de foto. Hij neemt contact op met Welters en hij ontvangt de foto.
Weer enkele jaren later wordt er op een fototentoonstelling in Sittard bekend gemaakt dat de foto van Sjef de cover zal gaan sieren van het boekje “Koempel, adieë!” Uiteindelijk wordt er 40 jaar na de bekende speech van Joop de Uyl een bijeenkomst georganiseerd in de Royal in Heerlen. Hier wordt Sjef geïnterviewd en is hij met zijn foto het middelpunt van aandacht. Iets waar Sjef zichtbaar van genoot. En nog steeds van geniet want hij zette graag een handtekening in mijn exemplaar van het boekje en vertelde vol trots over de foto. En met recht!
Mijn Verhaal Nr 4
Frans
Staatsmijn Maurits
Staatsmijn Wilhelmina
Staatsmijn Emma
Opzichter
Wanneer ik Frans spreek merk ik aan alles dat hij graag en trots verteld over zijn tijd als mijnwerker. Dat komt goed uit, ik luister er graag naar!
In 1954 start Frans bovengronds als leerling en vanaf 1956 mag hij ondergronds aan de slag. Hij begint dat jaar ook aan de mijnschool en zal uiteindelijk 18 jaar werkzaam zijn binnen de verschillende mijnbedrijven.
Hij begint op de Staatsmijn Maurits tot 1967, het jaar waarin de mijn sluit. Vanuit daar gaat Frans naar de Wilhelmina mijn in Terwinselen maar wanneer die in 1969 ook sluit maakt hij nog 1 keer een overstap. Hij gaat naar de Staatsmijn Emma tot 1972, een jaar voordat ook deze mijn sluit.
Vanuit de Staatsmijnen krijgt hij de mogelijkheid om de opleiding Waterbouw Techniek te volgen en vanaf 1976 gaat hij in Den Haag aan de slag bij Rijkswaterstaat. Al met al een wijs besluit gezien het feit de mijn in 1973 zijn deuren sloot en een jaar later ook de laatste mijn zijn deuren definitief sloot.
Spijt heeft Frans nooit gehad van zijn tijd bij de mijn maar mocht hij nu nogmaals voor de keuze komen dan zou hij toch kiezen om door te studeren. Met zijn 84 jaar zal hij die keuze ook baseren op een hoop levenservaring gok ik.
Mijn Verhaal Nr 3
Ger
Oranje Nassau 4
Oranje Nassau 3
Oranje Nassau 1
Mijnmeter
Ger heeft op maar liefst 3 locaties van de Oranje Nassau mijnen gewerkt. Sterker nog, hij heeft meegewerkt aan de sluiting van alle 3 de locaties. In 1966 sluit de ON4 op Heksenbergerg zijn deuren. In 1973 sluit in Heerlerheide de ON3 en in 1974 is het de ON1 die als laatste Nederlandse mijn een tijdperk afsluit.
Maar liefst 21 jaar werkte Ger op de Oranje Nassau mijnen, van 1952 tot 1973, als mijnmeter.
De metingen ondergronds geschiedde door mannen als Ger, de mijnmeters. Metingen waren belangrijk om te weten waar men was en zo kon men bovengronds voorkomen dat er mijnschade ontstond. De metingen werden bovengronds in de tekenkamer ingetekend en de bovengrondse kaarten waren doorzichtig. Wanneer deze doorzichtige kaarten over de ondergrondse tekeningen heen werden gelegd wist men precies waar men zich bevond. Ook werd de diepte gemeten en bij de vaste meetpunten zette men zware bouten in de wand. Mijnmeters moesten ook meten hoe de rails moesten lopen en hoe een steengang gelegd moest worden. Een functie die van Ger eiste dat hij zowel bovengronds als ondergronds aan het werk was.
Zoals Ger het zelf zo mooi zei, van 9 tot 12 was hij ondergronds en erna ging hij naar boven om te lunchen en bleef hij boven. De meeste tijd van zijn carrière bevond hij zich dan ook bovengronds.
Mijn Verhaal Nr 2
Lambert
Staatsmijn Emma
Staatsmijn Maurits
Opzichter
Wanneer Lambert in 1952 begint binnen het mijnbedrijf start hij bij de Staatsmijn Emma. Na een carrière van 12,5 jaar ondergronds als opzichter maakt hij de overstap naar de Staatsmijn Maurits. Hier werkt Lambert nog 2,5 jaar ondergronds om uiteindelijk na 15 jaar het mijnbedrijf te verlaten.
De reden voor deze overstap is dat er op de Maurits een tekort aan opzichters is. Lambert voelt zich geroepen en verruilt de oostelijke mijnstreek voor de westelijke mijnstreek.
Dat er verschillen waren binnen de verschillende locaties maakt Lambert al snel duidelijk. Zo was er volgens hem een groot mentaliteitsverschil tussen de beide mijnen. Lambert ervaarde meer kameraadschap tussen de mijnwerkers en het toezicht bij de Emma dan op de Maurits. Dat is nou zo leuk aan deze interviews, iedereen heeft zijn tijd ondergronds op zijn eigen manier ervaren.
Ook Lambert leg ik de vraag voor of hij terug zou gaan, mocht hij weer jong en werkzoekend zijn maar ook van Lambert krijg ik een volmondig nee te horen. Het mijnverleden wordt natuurlijk al snel geromantiseerd in onze gedachten, maar veel van deze mannen hebben jaren afgezien om de rest van het land warm te houden. Maar wat ik telkens weer hoor zijn de woorden “mentaliteit” en “broederschap”. En dat is iets waar ook Lambert trots op is.
Mijn Verhaal Nr 1
Wim
Staatsmijn Maurits 1960-1966
Houwer
“Na bijna 50 jaar ben ik er nog steeds trots op dat ik mijnwerker was.”
Met die woorden begint Wim zijn verhaal en eigenlijk zijn dat ook mooie woorden om deze reeks mee te starten. Wim werkte van 1960 tot 1966 op de Staatsmijn Maurits als houwer.
“Hard werken, op een manier die mensen zich nu niet kunnen voorstellen”
Wanneer Wim 20 is heeft hij de OVS afgerond en werkt hij al geruime tijd ondergronds. Wanneer op een dag het dak van de “oude man” (een afgegraven deel van een pijler) begint te kraken en lijkt te gaan bezwijken wordt Wim door de aanwezige opzichter gemaand een schietgebedje te maken. Met de angst in de benen gaan Wim en zijn collega uiteindelijk naar boven, maar ondergronds voelt het voor Wim nooit meer zoals het ooit was.
Deze traumatische ervaring maakt zoveel indruk op Wim dat hij al snel besluit de mijn te verruilen voor de DAF fabriek. Maar zoals bij zoveel koempels die ik spreek straalt Wim een gevoel van trots uit wanneer hij over die tijd spreekt. Op de vraag of hij ooit terug zou gaan als de mijnen weer open zouden gaan en hij weer 20 was krijg ik een volmondig nee te horen. Maar dat is ook wel te begrijpen eigenlijk na zo’n ervaring.

























